Waarom gaat emancipatie altijd over vrouwen die meer op mannen moeten lijken?

Op 22 januari verscheen het rapport ‘Werken aan de start’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Een van de conclusies van het rapport is dat jonge, Nederlandse vrouwen vaker deeltijd werken dan jonge, Nederlandse mannen. Heel herkenbaar voor mij: als jonge, Nederlandse vrouw is er geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om ooit nog veertig uur te gaan werken. Been there, done that, hated it.

door Melissa Rodrigues

De eerste reactie die ik over het onderzoek zag, zei dat “vrouwen zo nooit aan de top komen”. Zoals zo vaak wordt vrouwenemancipatie in neoliberaal Nederland hiermee verpakt als een groter stuk van de mannentaart toe-eigenen. Maar wat als vrouwen dat stuk taart niet willen, als we helemaal niet aan de top willen komen? Als we het hebben over emancipatie, gaat het er vaak over dat mannen iets veel doen, en dat vrouwen dat dus ook meer moeten gaan doen. In dit geval werken. Waarom gaat emancipatie altijd over vrouwen die meer op mannen moeten gaan lijken en niet andersom? Full-time werken is immers niet de enige vorm van arbeid. Waarom worden verschillende vormen van arbeid zo weinig erkend?

Mijn mening over andere vormen van arbeid is sterk beïnvloed door theorieën rondom reproductive labour. Karl Marx en Friedrich Engels omschreven dit als de tegenhanger van het soort arbeid dat goederen produceert. Reproductive labour is de arbeid die de economie ondersteunt. Het is een set taken die ervoor nodig zijn om bestaand leven te onderhouden en een toekomstige generatie te onderhouden, zoals vroeg opstaan om de boterham van je man te smeren voordat hij gaat werken. Het meest duidelijke voorbeeld is dan ook het huishouden, maar ook emotionele en fysieke zorgtaken, zoals klaarstaan voor partners en zorgen voor kinderen, vallen onder reproductive labour. Deze arbeid werd decennialang ondergewaardeerd en on(der)betaald.

Als we het hebben over emancipatie, gaat het er vaak over dat mannen iets veel doen, en dat vrouwen dat dus ook meer moeten gaan doen.

Reproductive labour is dus noodzakelijk en slecht gecompenseerd, en wordt nog steeds vooral door vrouwen gedaan. Het SCP-onderzoek “Zorg voor het huishouden en anderen” concludeerde vorig jaar dat vrouwen minder in het huishouden zijn gaan doen, maar mannen niet meer. Toch spreekt het onderzoek over een “langzame vrouwenemancipatie”. Dit suggereert dat het een verbetering is als vrouwen minder doen in het huishouden, maar er wordt niet kritisch gekeken naar de eerlijke verdeling van huishoudelijke taken. Uit dit onderzoek blijkt dat ook hoogopgeleide vrouwen minder vrije tijd hebben, omdat ze niet minder zorgtaken hebben, maar wel meer werken. Waarom is er geen landelijke SIRE campagne om mannen te stimuleren - hoe triest dat ook is - vrouwen meer te ontlasten van hun zorgtaken?

Waar reproductive labour in eerste instantie een manier was om betekenis te kunnen geven aan de scheiding in arbeid tussen mannen en vrouwen, is het tegenwoordig eerder een manier om te differentiëren tussen witte vrouwen en vrouwen van kleur. Toen witte vrouwen begonnen te werken, waren het vrouwen van kleur die op hun kinderen pasten en hun huizen schoonmaakten. En waar witte vrouwen directeur zijn, zijn vrouwen van kleur schoonmaakster en cateringmedewerkster. Of zoals ik ooit las op Facebook “it’s Black and Brown women who sweep the floors after white women break glass ceilings”. Vaker blijkt dat binnen de intersecties van sekse en ras, witte vrouwen de voorkeur geven aan hun ras. Zie bijvoorbeeld de Amerikaanse verkiezingen.

Als we het hebben over jonge, Nederlandse vrouwen op de arbeidsmarkt, is het ook belangrijk om te zien dat deze arbeidsmarkt niet voor alle jonge, Nederlandse vrouwen even toegankelijk is. Arbeidsdiscriminatie bestaat, en de loonkloof tussen mannen en vrouwen is niet de enige: ook tussen witte vrouwen en vrouwen van kleur bestaan verschillen. Machtsverhoudingen zorgen ervoor dat vrouwen van kleur die directieplaatsen bekleden vaker uitzondering dan regel zijn. De weg vrijmaken voor andere vrouwen van kleur is nagenoeg onmogelijk. En zo verandert het probleem alleen op de oppervlakte en niet in de structuur. Hetzelfde gaat op voor arbeid. Meer vrouwen aan het werk of in topposities zorgt er niet automatisch voor dat de arbeidsmarkt een betere plek voor vrouwen is: daarvoor zullen we als maatschappij de verdeling tussen werk en leven voor vrouwen beter moeten inrichten.

Meer vrouwen aan het werk of in topposities zorgt er niet automatisch voor dat de arbeidsmarkt een betere plek voor vrouwen is.

Persoonlijk maakt het me niet uit of vrouwen wel of niet fulltime werken, en ik ga jullie ook niet vervelen met mijn ideeën over de grote kapitalistische deceptie die loonarbeid heet. Het gaat mij om die vervelende aanname dat iedereen ervan droomt om ergens directrice te zijn. De aanname dat vrouwen geen ambitie hebben, omdat ze geen directrice willen zijn. En het idee dat vrouwen gered moeten worden van het gebrek aan ambitie om directrice te willen zijn.

Ik vind niet dat vrouwen meer moeten gaan werken, omdat mannen meer werken. Ik vind überhaupt niet dat vrouwen meer op mannen moeten gaan lijken. Ik vind dat we als maatschappij meer waarde moeten hechten aan reproductive labour en de zorgtaken die daaronder vallen. Dat we inzien dat zonder de mensen die deze taken uitvoeren, we als een huis zonder fundering zouden staan. Dat we deze taken net zoveel financiële waarde toeschrijven als taken die direct bijdragen aan de economie en niet indirect, zoals reproductive labour dat doet. En dat we mannen ervoor verantwoordelijk moeten houden een gelijkwaardig deel van deze taken op zich te nemen. Dat is pas emancipatie.

Picture1.png

Melissa Rodrigues heeft een Master in Sociologie, met een specialisatie in gender en seksualiteit. In haar vrije tijd duidt ze graag complexe maatschappelijke vraagstukken. Ze is fan van Rihanna en brengt veel te veel tijd door op haar telefoon.